III
WILLEM BACKER
DE STRIJD TUSSEN TOREN EN RAADHUIS
ET moet een voorrecht zijn geweest in het Amsterdam van de gouden eeuw te mogen leven, deel van de stad toen zij zich schitterend verhief tot een grootheid, glorie en macht als nimmer tevoren en nooit meer sindsdien. ,,Amsterdam zal comen te prospereeren ende verbeteren boven alle steden" had de Prins van Oranje kort na de alteratie voorspeld; zijn vooruitziende blik faalde ook nu niet. Op het einde der zestiende, in de eerste helft der zeventiende eeuw beleefde Amsterdam een economischen opbloei, een welvaart in al de lagen van haar bevolking die schier fantastisch mochten heten en op hun beurt een rijkdom schiepen en een macht, waarop de stad zich trots verhief. In weinig langer dan een mensenleeftijd vormde zich het beeld: haar handel en nering, haar buitenlandse betrekkingen, relaties met verre gewesten, eindelijk ook haar uiterlijk aanzien zoals het zich in twee eeuwen tijds nauwelijks wijzigen zou.
Een enkel geslacht, bruisend van energie en van levenskracht, ongebreideld schier in zijn expansiedrang, bouwde zich een stad tot zijn onvergankelijke glorie, die nog in honderden van jaren het uiterlijk, de schoonheid, de atmosfeer zou behouden, haar in dezen tijd verleend. Om het middeleeuwse Amsterdam, met zijn burgwallen, zijn smalle straten, zijn doolhof van stegen en sloppen, met zijn kleine huizen, nog tal van houten puien, de oude kerken en kapellen, voormalige kloostergebouwen, werd
h