CORNELIS PIETERSZOON HOOFT 94
dienst, ende met eenen te ontslaan van den eed, dien zy luyden als Vroedschappen gedaan hadden; mitsgaders van den eed ende 't recht, 't welck haar, als Schepen ofte Raed geweest hebbende, in 't kiesen van Burgemeesteren, is toecommende." De heren hoorden de woorden des Prinsen aan, knikten instemmend en maakten zich gereed de zaal te verlaten. Maar de grijze oud-Burgemeester Cornelis Pieterszoon Hooft verhief zich van zijn zetel en vroeg verlof een toespraak te mogen houden. Het werd een wijdlopige redevoering, doch de breedsprakigheid van den ouden mankon niet verhinderen, dat uit zijn woorden de oude liefde voor de stad en haar vrijheden opgloeide. Maar de Prins antwoordde op deze breedvoerigheid kortaf: „Bestevaer, 't moet nu voor deez' tyd zo zyn. De nood en dienst van 't Landt vereischten het" en dat was het ganse bescheid, dat de grijze Hooft ontving. De nieuwe vroedschap werd door den Prins ingesteld en beëdigd. Het was geen tijd meer voor praten, er moest gehandeld worden.
Acht jaar heeft Hooft dezen smadelijken dag overleefd. Op den eersten Januari van het j aar 1626 stierf hij, negenentachtig j aar oud. Van hem dichtte Vondel:
,,O spiegel van de deugd! o voorbeeld zonder vlekken
,,Nooit zooptge bloet en mergh der schamele gemeent,
,,Noch stopte d'ooren voor haar rammelend gebeent.
,,Wat lietge uw zoonen na, toen 's levens licht wou neigen ?
״Indien 't gemeen u roept, bezorgt het als uw eigen.
,,Zoo was uw uiterste aem slechts waere klaere deught,
,,Daar gy, vermaerde Stadt, uw kroon meed eieren neught."
#
Zijn conterfeitsel hangt thans in het Rijksmuseum in Amsterdam; wanneer ge het ziet, lezer, ontbloot uw hoofd, want deze man was niet slechts Burgemeester van Amsterdam. Hij was ook haar eerste burger.