CORNELIS PIETERSZOON HOOFT 107
den, werden naar den kant van het Rapenburg de pakhuizen gebouwd ten gerieve van de Oost-Indische en West-Indische maatschappijen. De oude muren en poorten werden gesloopt, nieuwe vestingwerken en wallen aangelegd op de plaats waar vroeger de landerijen de stedelijke gebieden hadden omzoomd. Een grote bouwbedrijvigheid voer door de nog kleine stad. De armen, die in of tegen de oude muren woonden, moesten hun huizen ontruimen. Weilanden verwisselden van eigenaar, de grondprijzen stegen snel. De winzicht van enkelen voerde strijd tegen de belangen van allen en niet altijd won het belang van de stad het pleit.
Burgemeester Hooft heeft in den strijd tegen grondspeculaties en corruptie in het gemeentelijk bestuur een groot aandeel gehad, al hebben de geschiedschrijvers later de motieven van zijn daden verschillend geduid. Er is van zijn hand bewaard gebleven een memorie, streng en logisch opgebouwd, als waren de wetten van het morele verkeer tussen de burgers regels der wiskunde, met groten ernst geschreven en vernietigend voor dengeen, tegen wien hij zich richtte.
De grondspeculanten, tegen wie Hooft zich richtte, waren nochtans zijn beide zwagers Oetgens en Kromholt, die, zoals hij breedvoerig aantoonde, de gemeente voor meer dan honderdduizend gulden hadden benadeeld.
Alweer ging, evenals bij het proces tegen Vogelzang, de betekenis van den strijd tegen deze corruptie in het stedelijk bestuur ver uit boven het bijzondere van het geval; het was een strijd, die den burgerzin tot inzet had. Het ging om de vraag of binnen de veste, waar het recht heerste, enkelen de vrijheid zouden krijgen om zich met onzuivere middelen mateloos te verrijken ten koste van de bevolking. Hooft zag de stad als een weeskind, dat geen anderen beschermer op aarde heeft dan den gemeenteraad en hij waarschuwde tegen een verwaarlozing van die taak door de Vroedschap ,,wandt ick nyet anders kan verstaen, dan dat