CORNELIS PIETERSZOON HOOFT 87
tweede vertoog behandelde hij de zaak-Vogelzang in bijzonderheden. Vogelzang, ,,dien hij niet wist immer gezien te hebben, hadt zig, ongezien zijn armelijke gelegenheid, en zwaaren last van kinderen, zo hem van geloofwaardige luiden berigt was, altoos eerlijk gedraagen. Hij was, om zijn tegenwoordige gevoelen, voor eenigen tijd, van de Gemeente afgesneden. De Kerk hadt dan ,t haare gedaan. Zij behoorde zig daarmee te vrede te houden en den armen man niet meer moeilijk te vallen." En hij vervolgde dan: ,,Beter was 't, dat men den Kerkelijken eens ernstelijk aanzeide, dat zij zig hadden te houden binnen de paaien van hun beroep."
Door menselijk medegevoel werd zijn verdediging bewogen, toen hij zich keerde tegen degenen, die voor Vogelzang zware straf eisten. Hij kon niet goedvinden, „dat men den man, tot bederf van zijn vyf kinderkens en van zyn zwangere huisvrouwe, in den Haage deed opsluiten. De oud-Burgemeester, doctor Maarten Koster, hadt, al voor elf jaaren by zekere gelegenheid, beweerd, dat de Overheid, in geloofszaken, geen gezag altoos hadt over de onderzaten. Dat was ook, van 't begin des oorlogs af, beweerd geweest. Was dit gevoelen goed geweest, toen 't ons tegen ging; ,t behoorde, met onzen voorspoed, niet ten kwaade veranderd te zyn" En in het slot van zijn verdedigingsrede, dat hoogmoedig en nederig tegelijkertijd was, zeide hij: „dan zou men eendragt in den Staat behouden, en eikanderen de hand blijven bieden, in 't wederstaan van den algemeenen vyand; daar zo zy, die naar nieuwe vervolging scheenen te haaken, hunnen wensch verkreegen, het verval van den Staat onvermydbaar was." Hij bad zijn hoorders: „dat niet op zyn persoon, maar op 'tgene hy gesproken hadt gezien mogt worden, en dat men alles in opregt-heid en zonder vooroordeel overwegen mogt; dan zou, hoopt hij, God eene genadige uitkomst geeven en men de oude spreuk waar bevinden, dat de onderlinge verdediging de veiligste is" Dat Vogelzang uit de stad werd geleid en dat degenen, die op