CORNELIS PIETERSZOON HOOFT 86
dan moesten strenge straffen worden beraamd om te voorkomen, dat anderen zouden navolgen wat Vogelzang begonnen was. Het oude Clarissenklooster aan den Heiligeweg was in die jaren vervangen door het Rasphuis en twee schepenen (zij waren nog gematigd, vergeleken bij het oordeel van anderen) meenden, dat de lastige geestdrijvende Goossen Vogelzang in het tuchthuis zou moeten boeten voor de beroering, die hij in de stad had gewekt. De verdediging van burgemeester Hooft, die zich het lot van Vogelzang had aangetrokken, werd een breed opgezet pleidooi voor menselijkheid en verdraagzaamheid.
Het was alsof de vijftigjarige burgemeester alles wat hij met duizenderlei kleine vermaningen en besluiten gepoogd had tot stand te brengen, bedreigd voelde door den geloofsijver der predikanten, die een andere overtuiging dan de hunne niet wilden dulden binnen de stadspalen.
De burgemeester gevoelde, dat in de zaak-Vogelzang de beslissing ging om groter bezit dan om alleen het lot van een enkelen man; het ging om de vraag of het stadsbestuur oppermachtig zou blijven in de stad, dan wel of de predikanten zich met de vrijheid der burgers zouden kunnen bemoeien. ,,Wij hebben," aldus ving zijn verdediging aan, ,,de wapenen aangenomen om geweld en dwingelandij af te weren; niet om te heer-schen over eens anders gewesten. Dat geweetensdwang vooral der tegenwoordige Regeeringe niet voegde, zijnde aan dezelfde, en aan Prinse Willem, voor haar, onder zulke voorwaarden, nimmer de poorten geopend."
En tegen de stadspredikanten, die ,,op de preekstoel uitvaren tegen de wethouders, die zig niet tot de Gemeente begaven, met onderscheiding van Schout, Burgemeesteren, Schepenen en Raaden, die zij met kwalijk toegepaste Schriftuurteksten, wel durfden vervloeken," keert Hooft zich met de trotse woorden: „Zo dit plaats hadt, dan zou de dwingelandij hier te lande niet ophouden; maar alleen de dwingeland veranderd zijn." In een