zo ontroerend. De pianist dee niks, de zaal was doodstil, de graaf en de gravin geven elkaar een sjlobber, op dat moment roept buiten iemand: Wat benne'ze lekker... wat ben-ne'ze lekker... allemaal sap.'
Maar het is géén grapje, dat een vrouw, een vaste klant, op een avond het theater binnenkomt en tegen Hes, de portier, zegt: 'Morgen moet ik opgenomen worden voor een zware operatie. Ik zeg tegen m'n Davidje: weet je wat, ik ga vanavond nog even naar Tsip Tsop, heb ik dat program tenminste niet gemist.'
Geen grapje is het ook, dat ome Jozep volstrekt unieke gebruiken in zijn theater durft te introduceren. Voor de directeuren van de andere theaters in de stad mogen sommige van zijn inventies volslagen waanzin lijken, hij kent zijn klantjes. Als (het wordt hoog tijd) de zaal van boven tot onder moet worden gestukadoord en geschilderd, beveelt de directie:
'We sluiten niet.'
De steigerpalen staan weken lang midden in de schouwburg. De zaal is een ruïne. Maar de voorstelling gaat door. Het vaste publiek accepteert het ongerief:
'Nou ja, sjat wat, in het donker zie je van de rommel toch niks.'
Ome Jozep introduceert een ander comfort. De werkloosheid in het diamantvak is weer eens groot. De slijpers, die op de bikkels lopen, kunnen altijd nog wel een paar dubbeltjes van hun sigarencentjes afknijpen om één middag naar Tsip Tsop te gaan. Evenwel, het gebeurt, dat er juist op zo'n middag thuis een dringende boodschap komt:
'Juffrouw, ik kom van de fabriek, of uw man direkt wil beginnen, de baas heeft werk voor hem.'
Moeder spoedt zich naar Tsip Tsop. Zegt ze tegen Hes: 'Ik moet m'n man direkt spreken. Hij kan werk krijgen.'
Ze wordt binnengelaten. Hes loopt met een zaklantaarn
95