kijken?' Sluyser kon het niet verwerken: 'Dat ik dat beleven moet... Ik wist het: het is niet weg... het ï's niet weg!'
Wat voor de oorlog een principe was — zijn afweer tegen communisme en fascisme — werd na de oorlog een trauma. Kritiek op Israël was voor hem een uiting van jodenhaat; elke politieke stellingname werd voornamelijk beoordeeld op grond van haar nut voor de joden in het algemeen en voor Israël in het bijzonder. En zoals over zijn twee Vara-gedenkboeken de heimwee hangt naar 'de handgranatenstrijd der socialistische beweging', zo waren zijn zes bundels schetsen van het vooroorlogse joodse Amsterdam een poging om de Buurt en haar vergaste bewoners te laten herleven. 'De paar mensen uit de oude buurt, die het Grote Verdriet mochten overleven, zouden stikken van hartzeer als ze niet meer konden spreken over de dagen van vroeger.' Het zijn gedenkboeken in de meest nobele zin van het woord. Gedenkboeken voor zijn vrienden als Sander Salomons — 'Hij ging naar Auschwitz, grote God, wees alsjeblieft een beetje zuinig op zijn ziel, want zo gaaf en onbaatzuchtig zult Gij er niet veel bezitten in het eeuwig magazijn.' Gedenkboeken voor zijn (ongetwijfeld vele) vijanden, zoals Iessie Pezaro, die hem eens een gat in de schedel heeft geslagen — 'Mijn hele leven heb ik de andere kant uitgekeken, als ik Iessie toevallig ontmoette, maar als ik hem vandaag tegenkwam zou ik gewoon tegen hem praten; stakker, hij is óók vergast.'
Het zijn boeken, zo kristalhelder van toon, zo zuiver van sfeer, zo doortrokken van authentieke droefenis, dat men de auteur van ganser harte zijn vreemde gedragingen — politiek en persoonlijk — vergeeft. En er viel Sluyser veel te vergeven, want het was natuurlijk een lastige, zo niet onhandelbare man. Age Scheffer karakteriseert hem in Het Roode Vaandel volgen Wij onder meer als 'niet zelden in zijn soms onbeheerste creativiteit oprammend te-