Ik dwaal door de buurt, zonder richting, zonder doel.
Schimmen spreken mij aan, maar ik kan hun stemmen niet horen.
Ik loop als een Golem.
Ik overschrijd de grens tussen niets en iets. Dagen worden uren en uren seconden.
Ik lig weer in de warme bedstee drie hoog in de Markensteeg nummer negen. Beneden in de woning van juffrouw Ettie van Praag klinkt gestommel. Dat is haar zoon Manus, die gymnastiekmeester is. Kinderen in bed zien met hun oren.
De stok van Japie Schapendief rommelebomt op alle deuren.
'Opstaan, zes uur, over vijf minuten is het half zeven.'
Over vijf minuten zullen ze opstaan, allen, die nu in de slaap zijn weggedeind naar onbekende landen waar de golven van het onbewuste breken op onbestemde kusten.
Vijf minuten, die eindeloos zijn, bijna zo eindeloos als de eeuwigheid.
Honderden jaren geleden werd de Tachtigjarige Oorlog uitgevochten. De Franse Revolutie werd geboren en ging onder in oceanen van bloed en tranen. Napoleon trok zijn voren in de oneindige akker van Europa en honderdduizenden moesten eerst sneuvelen, voordat hun lichamen nieuwe vruchtbaarheid konden brengen aan het oude werelddeel.
Wie kan nu nog iets voelen van het mateloze leed, dat over mensen werd uitgestort? We leren plichtsgetrouw onze jaartallen en de namen der vaderlandse helden. We lachen om Tijl, de grootste illegaal aller tijden, maar illegalen hebben zelf nooit werkelijk reden tot lachen, want hunner is ondank tot in lengte van dagen.
Van alle kanten bestormen de bulldozers de oude buurt.
208