Er zijn geen levenden meer voor de verdediging. Stofwolken hangen boven de vervallen huizen. De mensen? 'Ze werden geboren, ze leden en ze stierven.' Alles gaat voorbij.
Wat overblijft is de grandeur, de legende, de geïdealiseerde vertelling, de weemoed van het onherroepelijke afscheid, de echo van hun lach, die van zo ver klinkt, de herinnering, die nooit zal worden uitgewist, misschien.
209