tijds in Egypte tijd had om het deeg te laten rijzen, gunde hij zich geduld om de verse kadetjes bruin en knappend te laten worden. En daar komt nu de uitdrukking vandaan:
'Ben je ziek? Je ziet zo bleek als een zaterdagavond-fijntje.'
Verderop waar nu de laatste koshere slager van Amsterdam, Keizer, champrib, chocoladebeentjes en kippen met loodjes aan de poten verkoopt, was de zoete inval van Snatager en in dat huis daar had vroeger juffrouw Nap óók een taartjeswinkel; haar bolussen waren groter wereldwonder dan het Paleis op de Dam. Toen de kinderen met het nieuwste speelgoed de diabolo gingen spelen, vertelden de mensen elkaar, dat juffrouw Nap de naam had uitgevonden. Er stonden twee kinderen in de winkel, die allebei een gemberbolus wilden kopen.
'Juffrouw Nap, ik een bole en zij een bole...' Zei juffrouw Nap: 'Asjeblieft, die-a-bole, en die-a-bole...' Wie kan met zekerheid zeggen dat het verhaal van die naamsafleiding helemaal verzonnen is?
De Zandstraat waar Jossie woonde, Jossie met zijn wijf, op nummer vijf, zeven stoelen zonder matten, zeven tafels zonder latten. En daar woonde Halfsleetje, die in ontelbare oude moertjes en schroefjes zijn geluk en karige broodwinning vond. Een nederig bijna blind molletje, berooid als Job, maar niet zo opstandig; zijn zoon ben ik eens op Cura£ao tegengekomen, die bezat een eigen sport-vliegtuig en hij joeg met duikmasker en speer op de levensgrote haaien van de Caraïbische zee.
Ginds is de Valkenburgerstraat, en de Markensteeg, waar dit leven van mij is begonnen, en de Rapenburgerstraat waar ik zo lang heb gewoond.
207