wordt op de duur een kwestie van stuivertje wisselen. De Parkschouwburg. Ik herinner me het theater als een uitgebrande bouwval. Met een clubje jongens uit de buurt hadden we onderaan de wallekant een ingang geprutst. Ratten als Vlaamse reuzen speelden pantomimes op het in elkaar gezakte toneel. Wi; zaten in de verkoolde stalles en lazen elkaar voor uit boekjes, die we niet mochten kennen. Later ging de bouwval tegen de vlakte. Toen werd 'de Parkschouwburg' een braakliggend stuk grond, waar meetings konden worden gehouden. En nog later werd het een korfbalterrein.
Ik loop door de Kerkstraat. Rechts staat nog altijd de achtergevel van het oude Jodengasthuis en van het tehuis voor oude mannetjes en vrouwtjes. Daar in dat pijpelaatje, de Manegestraat, kwamen vroeg of laat alle emigranten uit Oost Europa terecht. Ze hokten er in kelders, in benedenhuizen, in opkamertjes, een, twee en drie hoog, en in afgeschoten optrekjes op de zolders. Geen straatje in West Europa heeft op zo weinig vierkante meters, zoveel mensen geherbergd. De mannen liepen in lange zwarte jassen, en met brede hoeden op het hoofd. Ze deden indrukwekkend met hun krullende zwarte baarden, langs hun slapen bengelden de gekrulde lokjes, de pyes, eigenlijk een soort uithangborden. Voorbijgangers wisten: onder die pyes leeft een orthodox man.
Ze liepen altijd gebogen met een ietwat kromme rug, de curve van die rug is familie-bezit. Overal ter wereld zijn ze aan hun rug te herkennen, tot in het verste geslacht, al worden ze onderkoning van Ookwambibi. Ze verborgen de handen achter het lichaam in de mouw van de tegenovergestelde arm. Ze sjouwden altijd met levende karper, die ze bij hun vaste visboer kochten. De echte gelovige eet slechts vis, die levend uit stromend water is gekomen. De
196