is, ze weten het niet eens.'
Kijkt grootmoeder hem medelijdend aan: 'Weer eentje, die het in zijn hoofd geslagen is. De toverheks geld maakt ons nog allemaal stapelgek.'
Zegt vader: 'Laten we liever over zaken praten, waarom zullen we nu al prakkizeren over verhuizen, als we niet eens weten wanneer de boot gaat.'
Henri du Pont vertelt dat er in Nederland geen gezantschap van Nicaragua is. Het hoofdkantoor van dat land, zogezegd, is in Parijs. Als we iets precies te weten willen komen over die papieren moeten we in die stad wezen.
Hoe komt een mens in Parijs en wat kost zo iets? Honderdvijftig gulden, eigenlijk te geef, als je nagaat wat er allemaal voor ons op het spel staat. Maar al is anderhalf honderd gulden nog zo weinig, waar moet vader die honderd daalders vandaan halen, we zijn immers zo arm als de spijker in de plee, waar de in stukken gescheurde krant opgeprikt is. Juffrouw Van Bever verklaart ongevraagd dat ze er niet over prakkizeert dat bedrag voor te schieten. Ze gunt ons de erfenis, daar niet van, dat weten we nu langzamerhand toch wel, en ze is erg dankbaar dat we haar zullen helpen die dure professoren uit Amerika te betalen, maar geld lenen met als onderpand papieren waarvan we niet weten of ze minder waard zijn dan behangsel, nee, voor zo'n onzakelijke zaak moeten we bij haar niet zijn. Kunnen we niet die gezant in Parijs de zaak schriftelijk laten behandelen, een paar postzegels zijn toch nog wel te betalen? Henri beslist dat zulke affaires alleen maar door persoonlijk bezoek in orde kunnen komen. Wat kunnen mensen die geen economie studeren daar dan eigenlijk tegenin brengen? Hij vindt honderdvijftig gulden ronduit gezegd een fooitje, wanneer misschien miljoenen guldens op het spel staan, hij is student en die hebben nu eenmaal weinig geld, maar anders... nóu!
164