Zegt grootmoeder: 'Jawel, maar U heeft nu eenmaal geen geld en daarmee houdt alles op.'
Onderwijl staat vader met moeder in de keuken te fluisteren. Opeens zegt hij dat we ons om die honderdvijftig gulden niet bezorgd hoeven te maken. Hijzelf zal het geld betalen, dan hoeven we later ook niemand naar de ogen te kijken, als de erfenis inderdaad zoveel geld waard is. Grootmoeder kijkt verbaasd, ze begrijpt niet waar vader plotseling die guldens vandaan zal toveren. Ze maakt zich kwaad. Wel juffrouw Van Bever geld geven voor de professoren in Amerika. Als moeder er niet tussen komt, wordt het nog vechten.
De volgende vraag is: wie gaat er naar Parijs. Of eigenlijk is dat geen vraag, want het is voor iedereen duidelijk dat Henri du Pont moet gaan en vader zegt dat hij overmorgen, dus dinsdag, het geld kan krijgen, dan kan Henri diezelfde dag of woensdagmorgen vertrekken.
De visite gaat weg. Grootmoeder zegt geen woord. Vader kijkt moeder aan. Iedereen zit duidelijk op iedereen te wachten. Als dat zwijgen minstens twee minuten duurt vraagt grootmoeder waar vader in vredesnaam die honderdvijftig gulden vandaan denkt te halen.
Moeder wijst naar de linnenkast. Dat gebaar is welsprekender dan een lange redevoering.
Zegt grootmoeder: 'Welzeker, er staat nog niet genoeg in de lommerd. Breng er nog maar meer naar toe. Schaam jullie je niet?'
Vindt moeder een nieuw spreekwoord uit: 'Wie rijk wil worden moet beginnen zich voor niets meer te schamen.'
165