vader nu juist fluisteren, wanneer hij tegen oom Max zegt dat die met niemand over de papieren mag spreken? Laat nou precies die ene zin aan juffrouw Van Bevers scherpe oren zijn ontgaan. Goed beschouwd is het dus vaders schuld dat juffrouw Van Bever subiet na het gesprek de straat oprent om aan iedereen in de steeg te vertellen dat op nummer negen drie hoog een erfenis is terecht gekomen, waarbij de honderdduizend uit de staatsloterij nog maar een onschuldig weeskind moet zijn. Juffrouw Van Bever is aan het woord en geen sterveling, die haar tot zwijgen kan brengen. Gekken trekken de kaart. Niet dat ze ons een beetje welstand misgunt; nee, tenslotte zijn we goede buren, naaste familie zogezegd, maar als ze aan haar zieke man in dat gesticht denkt en aan de dure professor in Amerika, die hem beter kunnen maken, nou, dan moeten we het haar maar niet kwalijk nemen, maar dan kan het haar echt verdrieten van al dat vele geld dat naar drie hoog gaat, en vertel nu maar meteen meneer Beem hoeveel duizenden guldens het zijn.
Zegt vader: 'Het zijn geen duizenden guldens, trouwens om de volle waarheid te zeggen, het kan best wezen dat de hele erfenis een jiddisje honderdduizend is.'
Juffrouw Van Bever perst ons de belofte af dat we, als we schatrijk zijn, de kosten van de professoren in Amerika zullen betalen.
Dat is het geschikte ogenblik om de mogelijkheid te opperen dat de papieren in de brandkast twee hoog zullen worden opgeborgen. Intussen zullen we allemaal hard nadenken over iemand die kan helpen uitzoeken wat die papieren waard zijn. Vader en moeder en grootmoeder kijken elkander raadplegend aan, maar voordat ze erop doorgaan, wil vader eerst de perkamenten veilig achter slot en grendel hebben. Als hij met juffrouw Van Bever weer boven
I<>2