dat komt niet van de studiebeurs.'
David studeerde flink. Maar geld dat die studiebeurs aan meneer Maandag kostte.
Om er iets bij te verdienen, creëerde meneer Maandag toen een nieuwe nevenfunctie. Hij was namelijk meer dan een verzinner en verteller van anecdotes; meer ook dan een man van het Wijze Boek; meer ten slotte dan een beoefenaar der natuurwetenschappen. Meneer Maandag maakte ook gedichten! Zijn kennis van het Nederlands was echter beperkt; hij sprak een mengelmoes van talen en dialecten. Zijn rijmsels behandelden onderwerpen van zeer wereldse en altijd vermakelijke aard. De rijmelarijtjes waren veelal liedjes. Ze waren vervuld van een boertigheid, waarvoor Frangois Rabelais zich niet zou hebben geschaamd. Trouwens, meneer Maandag geneerde zich er ook niet voor. In de omgang was hij een zeer bedeesd, ja bijna kuis manneke. Maar in zijn rijmen placht hij de dingen des levens bij de volle naam te noemen. Aanvankelijk schijnt hij die liedjes puur voor zijn eigen genoegen te hebben verzonnen.
'Ze vallen me in, als ik op de maat van mijn hamer zit te neuriën en de woorden komen helemaal vanzelf.'
Gaandeweg waren zijn klanten aan de weet gekomen, dat die meneer Maandag zulke lollige deuntjes kon zingen. Voortaan moest hij eerst een nummertje liedjes weggeven, voordat hij schoenen ter reparatie meekreeg. Spoedig was het zo, dat de mensen blij waren, wanneer hij kwam om werk te halen of te brengen. Hij bracht de gezelligheid mee. De Zingende Maandag.
Er was een schoon lied, waarin verteld werd van een man, die werkloos was, terwijl zijn vrouw elk ogenblik de geboorte van een kind verwachtte. En ze had zo'n razende trek in gebraden gans, dat zwangere mens. Nu weet iedereen, dat men een vrouw, die hoog in de maanden is,
'34