vid. Die wist niet beter of hij was ook een zoon. Maar in werkelijkheid was David een kind van een schoonzuster van meneer Maandag, een zuster van zijn vrouw. David was een weesjongen. Natuurlijk had hij indertijd naar het weeshuis kunnen gaan, maar dat wilde meneer Maandag niet toestaan.
'Elk kind moet een vader en een moeder hebben, anders mist hij iets tot aan zijn dood toe, en het ergste is, dat hij niet eens weet wat hij mist.'
Daarom had hij David, die toen amper twee jaar oud was, in huis genomen, en daarom ook had hij altijd voor hem verzwegen, dat hij eigenlijk maar een aangenomen zoon was. David noemde meneer Maandag en zijn vrouw: vader en moeder.
Hij bracht het kind fatsoenlijk groot. David ging naar school en toonde zich een uitermate intelligente leerling. Altijd de eerste van de klas. Toen hij zijn loffelijk ontslag had gekregen, vond de hoofdonderwijzer, dat hij naar de h.b.s. moest. Hij kwam zelf naar de Manegestraat om het te bepleiten.
'Meneer Maandag, het zou jammer zijn, wanneer David niet kon dóór leren. Die jongen heeft een studiekop. Ik denk, dat hij dat van zijn vader geërfd heeft.'
'Ja', zei meneer Maandag, en hij glimlachte mild. De hoofdonderwijzer dacht, dat hij zich gevleid voelde.
'David wil dokter worden.'
Zei meneer Maandag:
'Ik ben een arm man, het gaat niet alleen om de kosten van de studie, maar mensen zoals ik kijken altijd uit naar de dag, waarop de kinderen met geld naar huis zullen komen.'
'Er is misschien een studiebeurs te krijgen, maar dan zult U het heel wat jaren zonder kostgeld van David moeten stellen. Enne... zo'n jongen moet gekleed worden en zo;
133