karthotheek naar voren. Natuurlijk, er is een gemeenschappelijke kennis. Die is er altijd. En die wil graag een gulden extra verdienen.
Als dan op een dag de familie Venetiaander, vader, moeder en het Bar Mitzwah-jongetje in de verte van de Hoogstraat opdoemen, weet Italiaander dat zijn secret service hem niet in de steek heeft gelaten.
Maar dat wil nog niet zeggen, dat de koop glad verloopt. Want vader en moeder Venetiaander zijn ook niet achterlijk. Ze komen kwasi-onverschillig aankuieren. Als de verspieders hem geen rapport hadden uitgebracht, zou de stoepjee nooit kunnen vermoeden, dat daar de beloofde klant drentelt, overvloeiende van een beetje melk en een piezeltje honing.
Nu staat de stoepjee op een kruising van wegen. Hij kan de familie Venetiaander aanspreken. Hij kan ze ook niet aanspreken. Spreekt hij ze aan, dan is zijn onderhandelingspositie iets verzwakt. Maar als hij ze negeert, heb je kans dat ze doorlopen en door een andere spin in een ander web worden gevangen. Wat doet een mens als hij de keus heeft tussen twee mogelijkheden? Hij gebruikt een derde. De stoepjee wendt onwetendheid voor of, zoals de term luidt: hij houdt zich onnozel.
'Dag meneer Venetiaander, ja, ik ken U wel, ik zie U wel eens met meneer Wagenaar lopen. Mooi weer hè? Een beetje aan de wandel? Nou, amuseert U zich maar, a propos, dat jongetje van U is een jaar of elf denk ik, nou, dan heeft hij nog de tijd met een barmitzwahpak, affijn, tegen de tijd dat het zover is moet U nog maar eens langs komen.'
Dat schot is altijd raak. Het is zonder mankeren de moeder, die, een beetje gekrenkt, eruit flapt:
'Elf jaar... zo'n flinke jongen. Over veertien dagen wordt hij Barmitzwah, als God wil.'
122