de dag en dwars door het telkens ontwaken in de nacht. Altijd de jacht, de zweep, de pijn!
Hij stond op en liep even heen en weer.
— Verdomme, ik wil niet weg, vloekte hij. Ik ga niet. Natuurlijk niet. Maar ik zit. Ik hang. Wat moet ik dan? Wat moet ik?
De telefoon ging. Hij nam de haak af. *
— Daaag. Ben je tóch al thuis?
Zacht, lief. Zij!
—• Toch al? ’t Is bijna één uur!
— Kwart vóór nog! Kom je nog even?
— Ben je gek?
— Wat doe je naar! Is er iets? Heb ik iets gedaan?
—■ Welnee, Minneke, maar ik vind het niet goed,
dat je nog zo laat......
— Ik vond het juist zo lekker vroeg en ik had de
hele dag al niets van je gehoord en ik maakte me een beetje ongerust en daarom......
Plotseling vloog ze naar het andere verhaal: Ik heb zo gelachen vandaag! We repeteren een nieuwe revue en daar is een nieuwe komiek in, een volslagen zot! Maar hij is nog erg jong en je kunt niet weten! Die idioot is een beetje verkikkerd op me en nou wil ie met alle geweld bij mij op visite komen. Ik heb gezegd, dat mijn kamer niet geschikt is om bezoek te ontvangen. Goed?
— Natuurlijk.
— Maar ik heb gezegd, dat ik morgenmiddag na de repetitie een kopje thee met hem zal gaan drinken op het Plein. Dat kan toch wel, hè ?
—■ Als jij denkt......
—■ Je bent toch niet jaloers, hè?
— Hoe kom je erbij!
— Zo maar. Dat kon toch. Kan je nou niet nog even weg? Heel even maar? Ik ben zo alleen.
— Nee, dat gaat niet. Gebruik nou even je hersens.
— Heb ik die dan?
—■ Soms twijfel ik er ook aan.