— Dan is het goed. Dan hoef ik mij er ook niets van aan te trekken.
— Je moet naar bed gaan nu.
—■ Ja, Zeg nog iets liefs.
—■ Wel te rusten.
—■ Morgen moet ik iets biechten. Nee, nu niet. Nacht.
Hij legde de haak neer en vloekte weer. Rotzooi! De halve kennissenkring was na de oorlog gescheiden. Om het wonderkacheltje, zeiden ze. Eien wonder. Maar ze waren allemaal nu bij of met anderen. De mannen en de vrouwen. Een na-oorlogsverschijnsel, zeiden ze. ’t Werd zo vervelend altijd hetzelfde. Dezelfde, bedoelden ze. De duvel in het lijf, ja en de zogenaamde losgeslagen remmen.
Ze moest iets biechten? Weer wat uitgehaald natuurlijk. Achteraf biechtte ze d’r stomheden altijd op. Altijd? Allicht. Eerlijk is ze!
Hij zat en dacht aan vroeger. En aan die opmerking van de collega: Ik moet die onrust niet. Hij had die onrust. Diep, vast, duurzaam.
Hij stond op en ging naar de slaapkamer. Milly zei niets. Ze sliep blijkbaar. Zacht kleedde hij zich uit en ging in bed. Hij knipte dadelijk het licht uit.
In het andere bed naast hem lag Milly met open ogen. Ze had niets kunnen zeggen en ze had zo graag gepraat. Die middag had ze bezoek gehad van een kennis, die „even een kopje thee was komen halen!” En die had het gezegd, zo terloops: Zeg, ik zag jouw man eergisteren ook nog. Op de Nieuwe Zijds Voorburgwal. Ik groette, maar hij zag mij niet. Hij liep met een jong pieisje gearmd. Dat wil zeggen: zij had haar arm onder de zijne gestoken, hoor!
Niets natuurlijk. Niets. Toch had het gewerkt. De kennis had nog schertsend gezegd: Je mag wel oppassen, Milly! En samen hadden ze toen gelachen. Nee, niets. Maar ’t wilde niet weg. Johan had niets verteld.