Johan keek haar aan en weer trof hem dat trieste in haar ogen.
— Is er iets, dat je hindert? vroeg hij onhandig en in hetzelfde ogenblik schold hij zichzelf: Rotvent!
Ze schudde nee.
— Je hebt dat soms, zei ze. Zo opeens en je weet niet waarom en waar het vandaan komt. Maar vanavond was het er opeens. Ik was zo alleen en ik voelde
me...... ja, weet je, zielig. Ik weet er geen ander
woord voor. En toen ging ik wat in dat album kijken en ik zag al die oude foto’s en misschien was het sentimenteel van me en erg ouderwets maar......ik raakte
een beetje overstuur......
— Overstuur? vroeg hij geschrokken. Maar waarom dan in ’s hemelsnaam?
Hij kwam naast haar zitten, op de leuning van haar stoel en streek haar zacht over de haren.
— Ben ik het nog? vroeg ze en Johan keek haar aan en knikte.
— Natuurlijk ben je het nog.
Vroeger had hij vaak gezegd: — Jij bent mijn enige, werkelijke kameraad.
— Door die oude foto’s kwam het natuurlijk, maar opeens wist ik wat ik je vragen wilde en zie je, Han, daarom ben ik opgebleven. En ik wou graag, dat je
me eerlijk antwoord gaf. Heel eerlijk en zonder......
bijgedachten.
— Maar, Milly, begon hij, maar ze schudde nee en hij zweeg.
— Ik dacht opeens aan die middag, zei ze zacht. Je moet dat ook nog weten, want je was toen heel ernstig. Zó ernstig, dat je er vast lang over gedacht moet hebben voor je ertoe kwam. We waren pas verloofd. Ik had je van de trein gehaald en we liepen samen langs de weg van het station naar mijn huis. Jij praatte over je werk en de krant en over de mensen, die je zag en hoorde en over al dat nieuwe, dat je erg boeide en helemaal beheerste. En toen opeens zei je: