— Kij sijt kekoom tot mij, omdat kij sit in die grote moeilijkheid, zei Mattheus Onno, terwijl hij de man, die rechts van hem aan de tafel onder de roodzijden lampekap zat, aankeek.
De man knikte en aarzeling was in zijn ogen.
Huib had hem, voor hij de man had binnengelaten, beschreven als: een grote, blonde kerel, een klein beetje dun al in zijn haren, zo om en bij de vijf en dertig. Op het eerste gezicht een gewone arbeider, maar bij nauwkeuriger bekijken met „toch iets” in zijn facie!
Johan nam hem nu op door het tweede kijkgat- Hij zag „dat iets” maar hij kon het niet precies omschrijven.-Misschien zat het ook in de duidelijke nervositeit van de man, een zenuwachtigheid, die anders was dan die van de andere, alleen maar geintimideerde cliënten.
— Je wil wel es praten, meneer. Je m o e t wel es
zeggen wat je ......Begrijpt u?
Matje knikte begrijpend en w'achtte, maar de man zweeg.
— Ik bekrijp, zei de ziener die nog niets begreep.
— En ik heb niemand om het uit te leggen, begon de
man weer, terwijl hij heen en weer schoof en voor zijn lange benen een betere, ruimere plaats zocht. Het kan niet, ziet u? En daarom......Ik dacht......
— Kij kunt alles zeggen hier, deelde Matje mee. Hier is besloten alles. Al die keheimen van die mens, die koom hier, zijn bewaard voor eeuwig. Zij hier zijn in die pyramide der eeuwen mysterie.
Mattheus lichtte langzaam, als in trance het hoofd en keek met twinkeling in zijn ogen naar het kijkgat, waarachter Johan de séance volgde.
— Ik zie uw duisternis, die omgeeft de wereld der