VERTAjLING VAN JIDDISJE EN BARGOENSE WOORDEN.
Jongens van de penoosse
versjteren
de poet
tippelen
vijf meyer ge-oetsten platstoter
penoosse
' nö dajeinoe jiddisj memme de jiddisjkat menoeche sores
de asjmedei
gebensjt
brooche
versjteerd
sjoumer
matzes
nesjomme
Peisech
nebbisj
— zware jongens
— bederven het geld
— het langs de straat lopen van lichte vrouwen met de bedoeling een man op te duiken
— vijfhonderd gulden
— gefopten
— een oplichter die zijn slachtoffers zo „plat” (medelijden) weet te „stoten” (praten), dat hij hem geld geeft
— eigenlijk het jiddisje woord voor; handel In het bargoens: de onderwereld
— nou, ook al goed
— joodse moeder
— het jodendom
— rust
— verdriet
— Asmodée, de duivel
— gezegend
— zegen
— bedorven
— de joodse opzichter
— Paasbroden
— ziel
— Pesach, Paasfeest
— och, arme