Matje schaterde.
— Waar zijn de rokertjes? Je moest es weten hoe ik eraan toe ben!
— Op de krant. Kom ze straks maar halen.
— Gek, zei Matje, dat ze ’t altijd nog weer geloven, niet? Ik heb es een keer als fakir gezeten voor een krant in Rotterdam. Als bediende had ik een kerel, die de hele zwendel elke dag van dichtbij kon bekijken. Ik had vrij veel met hem gepraat en ik dacht, dat hij helemaal ,,in” was, maar je zoekt altijd nog teveel hersens. Toen we de Ijaatste zitting achter de rug hadden, zegt die vent in volle ernst tegen me: — Ja, nou is ’t afgelopen, meneer, maar nou zou ik u toch wat willen vragen: Zou u mij nou niet es de toekomst willen voorspellen ?
Johan lachte.
— Geen borrel? vroeg Matje weer.
— Geen borrel. Tot ziens, Matje.
— Zoek weer es wat voor me, Johan, anders zak ik weer in de onderwereld af en ik ben zo graag eerlijk en oppassend, dat weet je, nebbisj!
Hij ging. Johan liep door naar de Westermarkt en toen de Prinsengracht op.
Voor de deur van Gijs bleef hij staan. Het bord hing voor de deur in de portiek:
Wegenis ongesteldheid van SAID BEY zijn de séances voorlopig voor onbepaalde tijd UITGESTELD!
Johan knikte. Hij ging de weg terug.
— Zestig gulden per dag hebben we er zeker gemiddeld gemaakt, dacht hij. En hij hoefde er alleen