weer gek is want ik heb het nooit druk gehad. Maar als ik van huis was, op zo’n fuif of zo, dan had ik altijd het gevoel, dat het toch eigenlijk zonde was en dat ik veel beter thuis kon zitten. Ik vond het verloren avonden en ik weet niet waarom, want als ik thuis bleef, deed ik toch eigenlijk niets bijzonders. Alleen wat lezen of thee zetten en wachten op jou.
As ik mijn leven overzie, weet ik, dat ik gelukkig geweest ben. Met en door jou. Ik heb nooit andere jongens gekend en ik heb er ook geen behoefte aan gehad. Jij was de enige en jij bent het nog! Daarom zijn de laatste maanden wel eens moeilijk voor mij geweest. Ik heb me zovaak voorgenomen met je te praten, maar het is er nooit van gekomen. Het was geen trots, Han. Die heb ik tegenover jou nooit gehad. Ik kon eenvoudig niet. Ja, één keer heb ik het toch geprobeerd. Dat was die avond toen ik je vroeg of ik met je was meegekomen? Weet je nog? Je had dat toch vroeger es gezegd: Je moet meekomen, want als je achterblijft, is het uit! Maar ook toen is ons gesprek maar in een paar sussende frases verlopen en het kon ook niet anders, want praten in deze materie heeft geen zin. Het wordt hoogstens een keffen en kibbelen en de schuld bij een ander zoeken, terwijl er toch in werkelijkheid geen sprake kan zijn van schuld. Je kunt allebei je best doen, meer niet. Jij hebt je best gedaan, dat weet ik en je moet het geloven: ik ook. Maar het heeft niet geholpen en dat kunnen wij elkaar niet verwijten.
Ik heb jou gezien. Altijd. Ik ken dat andere meisje niet. Ik weet ook niets van haar af. Toch heb ik jou altijd gezien als je bij haar was. Je deed zeker een tikje superieur ook. Dat is je houding. Van binnen was je onzeker en vooral: onrustig. Ik heb vaak naar je zitten kijken en er was geen afgunst in me als ik je vrolijk zag. Je was het ook niet echt. Je deed alsof en je deed het soms zo goed, dat je er zelf in geloofde. Je weet: ik heb dat van mijn moeder. Zij was zeer sensi-