te gaan. De mensen waren allen zoveel luidruchtiger geworden. Ze gingen veel meer uit dan vroeger en ze geneerden zich veel minder. Het was allemaal vreemd en verwarrend en ik wist er niet recht weg mee. Jij scheen je er veel beter in thuis te voelen. Je praatte er tenminste nooit over en als ik eens iets zei in die richting, haalde je alleen maar je schouders op of je antwoordde: — Nou ja!
Zo heb ik geleerd, dat het aan mij moest liggen en dat geloof is sterker geworden tot nu. Het was de overtuiging: ik pas er niet in en ik hoor er niet bij en daaruit is het allemaal voortgekomen. Jij hebt veel geduld met mij gehad, Han, want je hebt van mij gehouden en je houdt nog van me al is het dan op een andere manier dan vroeger. Ik weet heel goed, dat jij je niet geofferd hebt voor mij, want je bleef niet, omdat je mij geen verdriet wilde doen, je bleef, omdat je wist, dat ik tenslotte toch een stuk van je was geworden en dat je je zonder mij niet gelukkig kon voelen. Ik heb dat altijd geweten en dat heeft me verdriet gedaan, want daardoor was ik toch voor jou een sta in de weg en dat was juist wat ik niet wilde zijn. Je was nergens meer thuis, want als je bij mij was, joeg je iets op en als je daarginds was, kon je evenmin de rust vinden. We waren allebei ongelukkig. We hebben het elkaar alleen niet durven bekennen, ofschoon ik ook weer niet weet of dat veel veranderd zou hebben, want een weg voor ons alle twee was er niet meer. Misschien had het zin gehad als we elkaar dat hadden bekend.
Soms — als we samen op een feestje waren — heb ik me verwonderd. Ik zag de vrouwen zoveel brutaler ingaap op de blikken en de woorden van de mannen dan ze dat vroeger ooit gedurfd zouden hebben en de mannen hadden helemaal geen géne meer. Dan keek ik vaak naar jou. Vroeger zouden we met een enkele blik elkaar begrepen hebben, maar nu keek je naar mij en er was altijd een zekere verwondering in je ogen.