hoe hij een kleur kreeg, maar hij liep door. Halverwege de afstand van de Prinsengracht ontmoetten ze elkaar. Minna zag hem en ze bleef staan.
—'Nee maar! zei ze luid.
—■ Wat doe je nou? vroeg de jonge man.
Johan keek haar even aan en liep toen door. Hij hoorde haar weer luid lachen. *
— Het kan niet zo, het kan niet zo! zei hij steeds weer tegen zichzelf. Het moet nu uit zijn! Het moet, het moet!
Op het Koningsplein keerde hij terug. Hij ging naar de overkant eb keek scherp uit. De twee waren niet meer te zien.
Hij ging naar de Kring en belde zijn huis op, maar hij kreeg geen gehoor.
Hij bleef tot de laatste gasten verdwenen. Hij liep de stad in en bleef dwalen. In het Vondelpark zongen de vogels een roerige ochtendzang. Hij ging er op een bank zitten en trachtte met zichzelf tot overeenstemming te komen. Hij dacht aan Milly, die ongerust zou zijn, omdat ze niets' van hem had gehoord. Hij bleef nooit uit zonder te bellen. Plotseling voelde hij weer de onrust van de vorige avond. Waarom had Milly de haak niet van de; telefoon genomen?
— Ze zal geslapen hebben, dacht hij maar er was iets, dat hem zei, dat het niet waar was.
—■ Ik ga naar de krant en bel vandaar, besloot hij. Hij stond op en ging.
Het was even half acht toen hij op de krant kwam. Toen hij binnenging, hoorde hij roepen uit de portiersloge. Het was de juffrouw van de telefooncentrale, die hem vertelde, dat er al drie keer om hem gebeld was. Of hij dadelijk naar huis wilde komen.