die in de grote stad komt en niet meer weet hoe hij geleefd heeft.
— In elk geval heb je er wat uitgeslagen, meende Huib.
— Allicht, knikte Matje. Er zijn altijd parasieten, die winst slaan uit de jitzerorre van hun medemensen. Je ziet trouwens altijd hetzelfde verschijnsel weer en het gekke is alleen maar, dat de mensen er nooit iets van leren. Hoe ouder ik word, hoe meer ik me verwonder over de domheid van de mensen, die altijd nog maar schijnt te groeien! Er is gewoon geen einde aan! Ze hebben nog nooit geleerd bijvoorbeeld, dat de natuur altijd wraak neemt. Op de burgerlijkheid, op de netheid, op de kuisheid en op weet ik veel wat nog meer aan boeien en kettingen en klemmen. Er springt altijd op de gekste ogenblikken ergens iemand of iets uit de band en dan valt de bom midden in de rustige rust, die nooit rust geweest is. En als de bom niet valt, wordt er iemand gek of op zijn minst zenuwziek! Allemaal de jitzerorre en ik zeg maar...
— Hou je bek, viel Johan uit en Huib keek hem geschrokken aan.
Matje knikte.
—• Zo, zei hij. Zo. Juist.
— Je kunt beter precies zeggen wat je bedoelt, kwam Johan kalmer nu.
—■ Dat deed ik, meende Matje, maar ik geef je toe, dat ik er iets bij vergat. Ik wou alleen maar zeggen, dat mij steeds meer blijkt, dat mijn opvatting de juiste en de gezondste is. Ik loop niet met een complex van schuld en boete en ik zeg: Pik het. Haar bedoel ik dan, vulde hij met een grijns aan. Klets niet, daar word je maar broeierig van. ’t Is toch allemaal niks en hetzelfde, als u me begrijpt.
— Ik begrijp je te goed!
—• Van mens tot mens, begon Matje, je weet hoe ik het meen. t Is een rotmeid maar van mij zal je er geen kwaad over horen.