niet zoveel. Maar hij is advocaat geworden. Helemaal afgestudeerd. En alles was goed totdat hij die vrouw ontmoette. Je begrijpt het niet, meneer. Als u haar ziet, schrikt u van haar, zo lelijk is ze! Klein en goor, bepaald vies! Soms ziet hij het wel, maar dan opeens is het weer mis en dan gaat hij erop af. Ziet u hem nog? Is het bij haar?
— Ja. Ik zie. Een kleine vrouw staat aan de deur boven. Hij gaat met haar naar binnen.
De vrouw huilde zacht.
—■ Wat moet je eraan doen, meneer? Die vrouw is zijn ongeluk. Ziet u hem nog? U moet hem niet loslaten. U moet mij alles vertellen.
— Ik zie. Ik lees zijn gedachten.
—■ Wat leest u?
— Zijn gedachten. Hij denkt nu: Ma nisjtano ha-leilo hazee! x)
— Dat versta ik niet, meneer. Hij is zo knap meneer, ’t Is zonde van die jongen. En als hij weer bij die vrouw is, is de duvel in hem! Dan kan niemand iets met hem beginnen. Ik zei tegen mijn man, dat ik es naar u toe zou gaan. We hadden zoveel goeds van u gehoord, ’t Gaat zo rond, moet u weten en daarom dacht ik; Ik ga ook en mijn man zei: Ga maar. Je kunt nooit weten, en ik weet het toch niet meer! Nou wou ik graag van u weten, als het niet teveel gevraagd is, of de jongen toekomst heeft en of hij van die vrouw loskomt.
— Ik zal die horlogeketting nemen in mijn hand en ik zal zien voor u. Kij moet zijn even stil.
—■ Als u het doen wilt, heel graag, meneer. We kunnen het best betalen en we hebben het er graag voor over. Als u het in orde- maakt, zal u er geen berouw van hebben.
—■ Ik nooit berouw, antwoordde Matje en Huib had bijna hardop gelachen.
l) Hebreeuws, zin uit het verhaal van de uittocht der joden uit Egypte.
Betekent: Waarom is deze nacht niet gelijk aan vele andere nachten?
268