daar op je wachten. Ik ga niet naar bed voor je er bent. Als je niet komt, ga ik uit en doe domme dingen. Heel domme dingen, zeg ik je!
— Is dat een dreigement ? probeerde Johan argeloos onschuldig te zeggen, omdat hij voelde, dat Milly weer naar hem keek.
— Nee. Ik heb alleen zo’n verdriet. En het is geen dreigement. Alleen een nederig verzoek. Maar ik moet je spreken!
— Goed. Ik kom!
— Gelukkig. Daaaag.
Weer heel zacht. Dromerig. Teder.
— Ik moet nog even uit, kind.
Milly knikte. Ze vroeg niets. Even later ging hij. Knorrie deed open. Hij had de grijns weer.
— Minna is boven, zei hij en grijnsde opnieuw. Ik had de deur al op het nachtslot gedaan maar Minna zei, dat u nog kwam. Kan ik sluiten?
— Nee. Ik blijf maar kort.
Hij had de kerel graag een trap gegeven.
Minna stond midden in de kamer toen hij binnenkwam. Ze keek even om en hij zag, dat ze haar wenkbrauwen optrok. Hij had zich voorgenomen koel te doen en rustig te blijven, even te horen wat ze te zeggen had, daar kort op te antwoorden en dan snel weer te verdwijnen. Ze moest een lesje hebben en zoiets als dat van vanmiddag moest voortaan onmogelijk zijn. Maar die éne blik met die maar heel even opgetrokken wenkbrauwen verwarde hem en hij voelde zich onzeker worden. Tegelijkertijd was hij nijdig op zichzelf, omdat hij zich had laten verleiden toch te komen.
Hij ging zitten en vroeg toen effen: — Wat is er? Waarom moest je me spreken?
Hij hoorde zichzelf duidelijk en hij schold zichzelf om de lichte trilling, die hij in zijn stem waarnam.
Minna draaide zich om en keek hem zwijgend aan. Toen knikte ze.