—• Hij heeft er wat aan! En ik!
Matje liep naar de cel en belde. Johan was nog op de krant.
— Je moet even bij ons komen, zei Matje. Je kan er wat zien, dat zijn geld waard is.
— En dat is?
—'Je iesje nebbisj! Ze zit laveloos te vrijen aan de bar met een matzegezicht met een snorretje. Als je van de ingang dadelijk recht doorloopt naar achterin, merkt ze niet eens, dat je er bent en dan kun je kijken. Je moet de mazzel nemen als ze heet is!
—'Je hebt gelijk. Ik kom zo!
— Neem een taxi. ’t Brengt zijn centen op!
— En? vroeg Huib bezorgd.
— Hij komt, antwoordde de ander en op zijn gezicht stond weer de verlekkerde grijns.
Toen Johan even later binnenkwam, was Minna juist begonnen aan een beschouwing over het Existentialisme. De barkeeper lag met beide ellebogen op de bar leunend, met een lach te luisteren en telkens als ze even stopte, schonk hij op een wenk van bet „matzegezicht” haar glas weer vol.
— Je snapt er niks van, hè? vroeg ze en de barkeeper schudde geamuseerd nee.
— Geen steek, antwoordde hij, maar ga door. ’t Is allemachtig lollig!
—• Ze is altijd lollig, getuigde het matzegezicht. Vooral als ze hem om heeft.
Minna keek hem even aan en trok haar wenkbrauwen op.
—■ Jij snapt het evenmin, zei ze, maar je doet alsof en dat is veel erger! Je bent het specimen van het would-be begrip. Je leutert en likt. Je leutert over dingen, waar je niet bij kan en je likt aan viezigheid. Je bent een snob van buiten en van binnen een nul. Je leeft niet eens, maar je weet het niet en dat is gelukkig voor je. Alleen heeft je bestaan geen enkele zin, maar maak je daar ook maar geen zorg over, want