De vrouw had iets strijdlustigs. Strijdvaardigs ook. Ze was middelgroot, had grijzend haar, een rond hoofd, dat op een vrij korte hals op brede schouders stond en een paar heldere, nuchtere ogen achter bril-leglazen. Ze was de laatste klant en Huib had haar met een zekere verbazing opgenomen.
—• Ik begrijp niet wat die hier komt doen, zei hij zacht tegen Johan. Het is helemaal geen type om in waarkletserij te geloven.
Matje keek haar aan en liet toen zijn hoofd weer zinken.
—■ Kij komt tot mij en kij wilt weet? vroeg hij.
— Allicht, als ik het zelf wist, hoefde ik niet te komen, antwoordde de vrouw, maar haar gezicht toonde niets van lach of spot.
— Eerlijk gezegd geloof ik er niet in, zei ze dadelijk, maar ze zeggen allemaal in de buurt: ga es, want hij zegt rake dingen.
— Ik niet weet, mompelde Mattheus. Ik zeg wat ik zie in die toekomst. Kij kunt keloof. Kij kunt ook niet keloof. Het is zaak van u, niet die mijne.
-—■ Niet gek bekeken, meende de klant. Tenslotte kost het een knaak en ze groeien me niet op mijn natte rug.
— Niet knaak. Een kulden, verbeterde hij.
—■ Zo, dan valt het één vijftig mee! Kijk, dit is het: wij gaan naar Amerika. Mijn twee dochters en ik. We zijn uitgenodigd door een broer van mijn man. Die woont daar al jaren. Mijn man was een jehoede, verstaat u?
—• Ik versta, zei Matje. Ik spreek die lousjenha-koudesj.
De vrouw schaterde.