zien. Ook als het... niet goed is om zoveel te kijken. En als ik dan zo bezig ben, denk ik wel eens: Daar heb je ’t weer! Het is weer een knappe sof met je! En dan ga ik verder. Doodgewoon verder. Nee, niet gewoon. Nog wilder, fanatieker en zo nu en dan gaat het over. Dat denken en zien, bedoel ik. Maar gelukkig ben ik dan niet. Misschien is dat het onderbewustzijn. Of iets anders, maar het is wel iets natuurlijk!
Ze stond op en kwam naar hem toe. Ze ging op zijn schoot zitten.
—■ Ik ben nu heus helemaal eerlijk. Geloof je me?
— Ja, natuurlijk.
— Jij kunt het niet begrijpen. Jij bent heel anders. Je weet wat je wilt. Eerlijk: ik weet het ook wel, maar ik kan het niet doen! Ik zwabber! Nee, asjeblieft, lach niet, want zo bedoel ik het niet. Ik zwiep eigenlijk maar zo’n beetje heen en weer en wat er gebeurt, is puur toeval. Zoals de wind waait, weet je wel? En je moet dit goed weten: ik ben er helemaal mee verzoend en het kan me niet schelen ook.
Hij nam haar in zijn armen en zoende haar zacht. Ze sloot haar ogen en even was er de stilte.
— Toen ik nog heel jong was, even zeventien, kwamen er bij ons thuis veel jongelui, ging ze zonder over-gang verder. Veel van wat men zou noemen controle, was er niet. Vader was verdiept in zijn werk en meer dan dat. En moeder ... je hebt haar gezien en je weet het wel!
Hij was er ook bij. Hij heette Peter.
Minna zweeg even en een glimlach kwam vluchtig over haar gezicht in de herinnering.
— Het was een aardige jongen. Lang, blond en leuk om te zien. Hij was maar heel gewoon, je weet wel: er was niets aan of om, maar ik had het al heel gauw van hem te pakken. Ik was erg, ja hoe zal ik het noemen... dweperig toen.
Het gebeurde allemaal vanzelf en we gingen ons verloven. Ik wist eigenlijk niets van hem af en vader