raam staan. Minna zat met gebogen hoofd voor zich te staren. Ze had zijn verwarring niet opgemerkt.
—■ Verdomde idioot, dacht hij. Dat zeg ik! Als je bepaalde dingen af keurt. . . dan doe je ze toch niet! Het is om je dood te lachen!
Minna hief haar hoofd op.
—■ Ga es zitten, zei ze zacht en toen hij niet reageerde, herhaalde ze: — Toe, ga zitten.
Hij draaide zich om en nam langzaam een stoel.
— Kijk, vervolgde zij, je hebt natuurlijk gelijk! Je hebt altijd gelijk. Maar zie je: ik weet heel precies hoe ik ben en dat is ellendig genoeg. Ik heb er vaak over gedacht, want denken kan ik wel, dat weet je. Het zit ’m alleen in het doen, zie je? Ik geloof, dat het dat is: ik denk te laat! Ik construeer niet, ik reconstrueer. En als ik dat doe, zie ik de fouten en dan krijg ik de behoefte tot biechten. Dat is gevaarlijk en zelfs dom, maar ik kan het niet laten. Met eerlijkheid heeft dat niets te maken, dat moet je niet menen. Ik lieg veel en ik heb er nooit last van. Innerlijke last, bedoel ik. Het is iets anders en ik zou zelf graag weten wat. Soms denk ik: het zit ’em in de twee oorlogen. Ik ben net na de eerste geboren en toen zat de tweede al in de lucht. Begrijp je me? De spanning en de situatie en de hele atmosfeer bedoel»ik. Wij zijn in die spanningen groot geworden en misschien hebben we daar dat het-kan-eigenlijk-allemaal-niks-verdom-men van! Zoiets van: we gaan toch naar de haaien en laten we nou maar proberen er de lol uit te halen, die er nog in zit!
Ze keek hem aan.
— Begrijp je wat ik bedoel? Ik klets, hè?
—• Welnee, helemaal niet.
— Je bent kwaad en je wilt het niet weten. Dat is de beroerdste en hinderlijkste vorm van kwaad zijn. Ja, ik redeneer goed. Logisch ook wel, maar behalve in de redenering is de logica bij me zoek. Ik weet het. Een echte roes heb ik nooit en ik kan mezelf heel goed