— Ik zeg je toch: ik wist niet wat ik deed. Maar toen opeens wel en ik zei: Als je me weer beetpakt, ga ik schreeuwen! Hij lachte, maar toen hij weer dichterbij kwam, schreeuwde ik zo hard, dat hij schrok en me suste. Ik heb toen mijn mantel gepakt en ben naar huis gerend. Dat is het!
— Zo. En dat moest je kwijt?
— Ja. Er is werkelijk niets gebeurd, Han.
— Ik zeg toch niets.
— Nee, maar je denkt het! En je bent er kwaad om!
—'Je weet, dat ik me geen recht aanmatig om je te zeggen wat je doen en laten moet.
—• Je hebt er je oordeel over, dat is erger.
Hij maakte zich los en stond op. Hij liep de kamer op en neer.
— Jouw fout is, begon ze weer, dat je aan mij te hoge eisen stelt. Jij ziet mij, zoals jezelf bent en aan die eis kan ik niet beantwoorden.
Eén ogenblik keek hij haar in stomheid aan.
— Ik? Maar mijn lieve hemel, ik heb toch wel in de laatste plaats het recht om een ethisch-morele maatstaf aan te leggen. Ik lieg rechts en links en ik bedrieg mijn vrouw tegen de klippen op.
— Nonsens. Jij houdt van Milly en je wilt haar geen verdriet doen.
Even was hij onaangenaam getroffen. Milly? Ze kende haar niet eens.
— Je moet een mens zien, zoals hij of zij is, ging Minna voort. Als je haar verkeerd ziet, mag je haar niet kwalijk nemen, dat ze aan jouw droombeeld niet beantwoordt. Ik ben zo en ik kan het niet helpen!
Verbluft keek Johan haar aan.
— Je bent zo en je kan het niet helpen? herhaalde hij. Maar als je zelf bepaalde dingen, die je wilt doen, afkeurt, dan...
Hij stopte plotseling en voelde, dat hij een kleur kreeg. Hij draaide zich om en ging voor het kleine