Toontje is vroeger bij ons aan de troep geweest. Hij was in het ballet. Solo danser, hoor! Maar hij kon in België meer verdienen en hij is weggegaan. Dat was vóór de oorlog. In het begin schreef hij mij wel eens, want hij had het een beetje van me te pakken, maar later nooit meer! Zo zijn de mannen nu eenmaal! En vanmorgen was hij er opeens! We hebben samen een kopje koffie gedronken op het terras en daarna geluncht. We hebben gewandeld, zijn daarna in een cafeteria geweest in de buurt van de Kalverstraat in een steeg, hebben wat gegeten en gedronken en zijn daarna hier naar toe gegaan. Ik zei: Toontje, je mag wel met me mee naar huis, als je belooft, dat je je als een zoete jongen gedraagt; en het vrouwtje geen overlast aandoet! Niet uit de band springen en geen poging tot inbreuk op de moraal en de goede zeden in het huis van een eerzame jonge dochter. Goed?
— Goed, knikte Johan.
— Nou, dat heeft Toontje beloofd en hij heeft zich er ook wel aan gehouden. Behalve een paar keer, maar daar praten we niet over! Verder moet ik je biechten, dat ik een paar borrels gedronken heb, maar toen Toontje weg was, ben ik even gaan rusten en je merkt er niets meer van! Je ruikt het ook niet. Probeer maar. Ruik je wat?
— Nee.
— Kijk niet zo ongelukkig, dot van me! Ik ben zo blij, zo blij!
Ze danste door de kamer en bleef toen voor hem staan.
— Ben je tevree over me? Ik heb Toontje geen schijn van kans gegeven! Overigens ben ik wel stout geweest. Ik moet je iets biechten. Eerst zal ik thee schenken. Ze dronken thee en toen kwam ze weer op het kussen aan zijn voeten zitten.
— Ik moet iets biechten, want ik wil eraf. Ik loop er al een paar dagen mee rond.
— Je bent mij geen verantwoording schuldig.