Aan het eind van de Kalverstraat sloegen ze een steeg in.
— De cafeteria, dacht Johan kwaad. Om de hoek bleef hij staan en riskeerde gezien te worden. De man gooide de deur open en wierp Minna naar binnen. Letterlijk! Hij greep haar in de nek en gooide haar de portiek in. Ze schaterde. Toen waren ze verdwenen.
Johan liep terug. Hij botste een paar keer tegen andere lieden, waarvan er een iets minder vriendelijks zei. Toen zag hij Matje komen. De ziener kwam van de Dam en sloeg langzaam kuierend de Kalverstraat in. De flambard achter op het hoofd, glurend naar rechts en links.
Johan schoot op hem af. Hij dacht niet meer, hij deed! Hij voelde Matjes komst als een bevrijding.
— Luister, zei hij snel en hij zei het op een toon, die Matje deed opkijken.
— Wat is er aan de hand? vroeg die.
—■ Je hebt dat meisje gezien, toen ’s avonds, waar ik mee koffie dronk.
—• Bij Scheltema op het Frederiksplein, ja.
— Ze zit binnen in die cafeteria daar. Met een jonge
man. Ga jij daar ook heen. Ik wil weten wat ze doet, waar ze heen gaat en zo. Je weet......
Hij zweeg plotseling en keek Matje aan, die grijnsde.
— Ga daar ook eten en vertel mij vanavond......Je
begrijpt me wel.
— O.K. boss, antwoordde Matje. Helemaal schaduwen. Ben ik sterk in! Je hoort alles vanavond. Dat wil zeggen: tot kwart voor acht natuurlijk.
Johan knikte. Matje verdween en sloeg snel de steeg in.
Haastig liep Johan de Dam op. Hij kreunde zacht in wilde jaloezie. Het was een pijn, een stekende, borende lichamelijke pijn.
Midden op de Dam bleef hij staan. Hij had naar huis willen gaan en met Milly eten, maar hij wist, dat het