— Daar zit iets in. Laten wij zo’n ding beginnen. Vast een goed zaakje! Ik heb es in mijn eerste feuille-tonjeugd een leukerd geschreven over een grote modezaak, die de blote dames in de Katholieke kranten hoger kleedde dan in de andere bladen. Dan kregen de onderjurkjes namelijk een streepje vlak onder de hals. Het stukje was niet slecht, al zeg ik het zelf, maar de modezaak adverteerde met hele pagina’s van om en bij de twaalfhonderd gulden per week en dus was het stukje rot. Ook moordbonje!
— Wat heb je gezegd?
— Dat ik de dames verder aangekleed zou laten!
— Ik ben nooit in de kunst geweest, begon de chef weer, maar zeg jij me nou es waarom ze over bepaalde voorstellingen van bepaalde theaters altijd een stukje „Stad” schrijven, waarin alles goedig welwillend bekeken en beschreven wordt, terwijl ze de zogenaamd ernstige kunst met vlijmen en fluimen te lijf gaan!
— Omdat je het een nu eenmaal ernstig neemt en het ander niet.
— Je neemt toch zeker niet aan, dat het publiek die onderscheiding van „Stad” en „Kunst” ook opmerkt? Het staat in de krant! Uit!
Hij lachte plotseling en ging verder: — Ja, ik ben toch es in de kunst geweest. Ik was nog maar heel kort in de journalistiek en op een avond was de muziekrecensent ziek. Jij speelt piano, zei de hoofdredacteur, ga jij maar naar dat concert en schrijf een stukje. Maar hou je op de vlakte. Je begrijpt hoe ik me voelde.
Doodsbenauwd, maar toch......belangrijk! Ik zat daar
om de lezers te vertellen of het wat was of niet.
—■ De eerste symptomen van de journalistenziekte, meende Johan en de ander grijnsde hem welwillend toe.
— Zoals je wilt, makker! Maar goed: ik kwam eruit
cn ik was......onzeker. Vlak bij de krant was een grote
rijwielzaak en de man, Mulder heette hij, stond op het punt om zijn deur te openen. Hij zag mij en bleef staan.