ik geloof op Etymologisch gebied, verschrikkelijk ijverig bestudeerd, want ik leefde toen nog in de heilige veronderstelling, dat je minstens M. O. Nederlandse taal en letterkunde moest hebben om aan de krant te kunnen werken. En die hooggeleerde stond me daar aan de andere kant. Ja, professor, zei ik en toen kwam hij: Meneer, zei hij, ik heb vanmorgen in uw courant de samenstelling gelezen van de examencommissie voor Engels L. O. Hij wachtte even en ik zei weer: Ja, professor. En hij: Daarin schuilt een fout, meneer. Of liever: de publicatie is namelijk onvolledig. Mijn naam ontbreekt en ik heb in die commissie zitting. Ik bel u natuurlijk niet omdat het mij interesseert, maar omdat ik aanneem, dat uw blad goed ingelicht en gaar-na volledig zal willen zijn. Misschien kunt u in uw volgende editie een rectificatie plaatsen.
Dat zei die prof en ik voelde me bepaald misselijk. ’t Was niet om hem, Godbetert, maar om de krant! Er klom iets in me op, kerel!
— Bepaald je hoogachting.
—■ Nee, die zwierf ergens heel laag en die is nadien nooit meer opgeklommen! Wat een vak, wat een rot-vak! Ze likken en ze aaien je om een stukje in de krant te krijgen.
— Als je maar begrijpt, dat jij niet gelikt en geaaid wordt, maar het stukje, antwoordde Johan, die „de journalistenziekte” kende. Als je morgen ontslagen wordt, zien ze je niet,eens meer staan!
De man van Binnenland hoorde hem niet meer. Hij puzzelde blijkbaar over iets.
—• Ben jij van mening, dat er veel veranderd is in het vak na de oorlog? vroeg hij plotseling. Yan de week thuis zat ik erover te denken. Ik heb — toen ik nog maar heel kort bij de krant was — een ontdekking gedaan, die natuurlijk belachelijk was van landelijke onnozelheid, maar ik kwam van het land en ik had mijn bepaald idealistische opvatting over de krant en der-zelver zin voor waarheid en onafhankelijkheid. Ik heb