belletristische afdeling van de krant. Op Zaterdagavond. Maar inderdaad: dit was meer „nieuws!”
Ze bespraken het voor en tegen. De chef Binnenland was een oude rot in het vak. Een tikje cynisch en behept met „de journalistenziekte!” Hij wist het wel, want hij kende het leven. Krantenmensen hebben dat. Ze kijken teveel achter de coulissen van de dagelijkse poppekast om nog sterk in de grootheid te kunnen geloven. De man, die veel in de keuken gekeken heeft, is vaak niet meer zo verzot op de kleine lekkertjes van de kok. Hij weet hoe ze gemaakt worden en hij eet de dingen liever gewoon.
De chef Binnenland had teveel grootheid zien groeien en vergaan en hij nam maar zelden zijn hoed meer af. Hoogstens deed hij alsof en dan nog zo, dat de „tegenligger” wel merkte, dat het niet echt was.
—■ Weet je, zei hij (en het was een van zijn liefste verhalen, omdat hij er zijn eerste en misschien diepste ontgoocheling zo raak mee kon illustreren) weet je: ik was nog maar een week in de journalistiek, toen ik de klap kreeg. Die middag was ik alleen op de redactie, ’t Was een klein krantje. Vier redacteuren en eigenlijk maar drie vaklui. De andere, de vierde, knipte alleen. Man, wat maakte die kerel een bende! Hij las alle kranten, knipte eruit wat hij aardig of interessant vond en liet de rest gewoon op de grond vallen. Voor de werkster, die er de volgende morgen vroeg tot over de enkels doorstapte en het natuurlijk nooit begrepen heeft. Goed, die middag was ik alleen op de zetterij, toen de telefoon ging. Ik nam de haak op en zei: Redactie! Zoals een broek vol verwaandheid dat zegt na een week journalistiek. Aan de andere kant zei een deftige stem: U spreekt met professor Hooghoud. Man, ik was bijna gaan buigen en ik weet vast, dat ik een kleur kreeg. Professor Hooghoud was de man waar ik een grenzeloze achting en een eindeloze eerbied voor had. Ik had zijn boeken over de Gothische taalresten en zijn bespiegelingen over het Indo Germaans van weet ik veel,