helende stroom het leven van Amsterdam in de luie lentemiddag.
— En je zou geen seconde op het idee komen, dat op nog geen drie minuten afstand van hier de walletjes liggen, grijnsde Matje. Ik ken het daar toch! Neb-bisj!
Zijn gezicht verstrakte plotseling en hij schudde het hoofd.
— Gek, zei hij. Ik moet er vaak aan denken als ik hier zo zit. Indertijd, dat was een paar jaar voor de oorlog, heh ik es als gids van een paar filmlui een paar ochtenden daar gezworven. Ze hadden een grote vrachtauto. In de zijwanden waren in het dekkleed gaten gemaakt en over die gaten lag een gaasje. Dat was vanwege de „zachtheid” van het beeld, snap je? Want achter de gaten stonden de filmcamera’s en twee operateurs en ik zaten en stonden in de wagen. De chauffeur reed langs de Walletjes en telkens als we bij zo’n knip kwamen waar de vogels in gevangen worden, stopte die op mijn sein. Meestal vlak voor de plek waar een van de meisjes, uit het raam hing. En dan maar draaien, snap je? De vrouwtjes en wat naar binnen ging. Vooral het hoe, want dat was interessant! De jagende en jachtige kerels liepen meestal eerst voorbij. Keken dan om. Keerden terug. Keken rechts en links en dan: erin! ’s Morgens om half tien al was zo’n kast een komt-u-erin-en-gaat-u-eruit met een knipkaart van wie volgt! Je keek ernaar en je werd er beroerd van! En toen we zo’n paar uur gedraaid hadden (ook de souteneurs, die zich lekker rustig vaak beneden in het sous-terrein stonden te scheren met een oogje op de ingang en de clientèle) toen gingen we hier een koppie koffie drinken. Op ditzelfde terras en je weet, ik heb een beetje fantasie, maar toen ik naar de mensen keek, die net als nu, zo lekker en zo rustig en vooral zo netjes kuierden en dronken, toen kon ik me niet helemaal goed voorstellen, dat vlak daarachter, op een afstand van nog geen paar minuten, de kastjes