—■ Nou u er weer in, klonk het advies voor de dikke heer en de roodhoofdige vrouw. As u binne bin, bel ik.
Hij belde en keek triomfantelijk rond.
— Als je de uitgang vrijlaot, kenne de mense eruit, zei hij en toen: Hoe kom je op het idee, niet?
Bij de Ceintuurbaan verlieten vrij veel passagiers de wagen en opeens was er ruimte en een beetje lucht.
— En u, meneer, vroeg de conducteur aan Huib. De andere benne voor niks derin en deruit gegaan, moar nou goan ik vente!
Huib gaf zijn oranje tramkaart. Hij had die de avond tevoren gekocht van een conducteur, die het publiek had meegedeeld, dat de kaart een gulden kostte in plaats van vijftig cent, maar dat de overschietende twee kwartjes waren voor de Stichting 40-45.
— Een gewone, zei hij, maar de conducteur keek kwaad.
— Nou loopt me de gal of er, deelde hij mee. Nou moak ik er een eind aon, want tenslotte binnen er grensen, verstoat u?
Huib kreeg het gevoel, dat hij iets zeer strafbaars had gedaan. Alleen was hij er niet precies achter op welk terrein zijn overtreding lag.
— Is er iets niet in orde? informeerde hij.
— D’r deugt van de santekroam geen je weet wel, antwoordde de conducteur. Ik sel u het knippie gefe, moar magge mag het niet. ’t Is uit! Asjeblief. U ken het tenslotte ook niet hellepe! Let op. Hij goat kom-me! Hou je vast!
Met een zwaai gooide hij de beide deuren van het voorbalcon open, ging op de ijzeren drempel staan, rekte zich uit en loeide naar het publiek in de wagen:
— Doames en here! Hooggeacht publiek! Ik froag beleefd voor enkele ogenblikke uw hoog gewaordeerde aondacht!
Het werd stil en ieder keek geamuseerd-verwonderd naar de man op de drempel.
— Meneer hier, begon de conducteur weer, terwijl