Huib stond in de geperste volte van lijn 25. Hij was er in de Rijnstraat opgestapt, de tweede halte van het eindpunt en daar ging het nog. Hij schoof door naar de voorkant van de wagen. De troepen drongen op en toen ze bij de Maasstraat waren was er geen extra centimeter voor een diepe ademhaling meer over.
Op kleine afstand van hem stond een aardig meisje ingedrukt tussen mannen. De lange acteur keek over het cordon en zag toen, dat ze het gedruk blijkbaar wel leuk vond, want ze zag prettig rood. Dichterbij was ze zo aardig niet en waarschijnlijk ook geen meisje.
Op de hoek van de Scheldestraat wilden er nog graag een vijftig, zestig mensen mee, maar de conducteur beweerde, dat hij nog slechts drie erin kon stampen.
—■ Als we nog een beetje inschuiven, dames en heren, gaat het beslist! Wij sijn beroemd om onse inschikkelijkheid, woar of nee?
Het ging niet en de tram schommelde overbelast verder. Op het Cornelis Troostplein moest een passagier eruit, maar hij kon niet.
Niemand verroerde zich.
— As u nou effe uitstapt, raadde de conducteur een dikke heer, die vlak voor de uitgang buikte.
—■ Effe deruit, herhaalde de tramleider en de heer deed het tenslotte.
— En u ook effe de stroat op, adviseerde hij dringend een nogal roodhoofdige vrouw.
Ze deed het eveneens, maar eerst na een paar hartige woorden over het Amsterdamse trambeleid in het algemeen en dat van deze conducteur in het bijzonder.
— Nou ken u uitstappe, zei de conducteur vriendelijk-
De man, die eruit moest, ging.