Hij schold. Op de krant; op de baantjesgasten; op de maatschappij; op de wereld, de mensheid. Ze liet hem. Soms keek ze even op, alsof ze wilde zien hoever hij was. Of hij al zover was gevorderd, dat er weer te praten viel. Johan merkte het en stopte plotseling.
— ’t Is goed, zei hij. ’t Is al over!
— Natuurlijk is het niet goed, antwoordde het meisje en natuurlijk is het niet over, maar als je het prettig vindt, wil ik ook wel net doen alsof ik het geloof. Sorry, zei ze er dadelijk bij, toen ze opkijkend zag hoe zijn gezicht betrok.
Ze drukte haar hoofd tegen zijn knieën: — Kijk niet zo treurig. Daar kan ik niet tegen.
Even streelde hij over haar haren.
— Ik heb wel es gelezen, dat politiek de kunst is van het bereikbare, zei ze toen. Ik vond dat nogal aardig en vooral duidelijk gezegd.
—■ Ik begrijp niet wat je daarmee zeggen wilt. Ik ben niet in de politiek.
— Dat ben je natuurlijk wel. Dat zijn we allemaal
of we willen of niet, maar jij vraagt van de wereld of liever van de mensen, dat ze allemaal zo zijn, zoals jij ze in jouw verbeeldingswereld geschapen en gemodelleerd hebt en...... zo zijn ze nu eenmaal niet! Dat is
jouw vergissing en niet de hunne en dat moet je hen dus niet kwalijk nemen maar jezelf. Jij loopt rond met je idealen uit de oorlogstijd, toen je droomde van een nieuwe wereld en nieuwe mensen, en zoals jij nu nog droomt, zo doen het een paar honderd en misschien over de hele wereld een paar duizend; maar de mil-lioenen anderen zijn al lang teruggekeerd tot de oude vormen en gedachten en dus is de botsing onvermijdelijk. Nu heten jullie idealisten, gekken en de anderen zijn de mensen, die de realiteit zien en die hun koele verstand bewaard hebben!
Ze keek naar hem op: — Wat hou ik een rede. En ik heb wel het minste recht om critisch te zijn.
— Waarom?