— Ja, dat zal wel. Ik was getrouwd met een jodenman, meneer en we zijn echt wel gelukkig geweest. In de oorlog werd hij door de Duitsers gevangengenomen, want we hadden een onderduiker in huis en die ging de straat op, omdat hij het thuis niet kon uithouden en toen hij gegrepen werd, zei hij waar hij in huis was. Toen is mijn man weggehaald en hij is nooit teruggekomen. Ik heb daar vreselijk veel onder te doen gehad en ik ben lang helemaal niet uitgegaan. Werkelijk, niet, meneer. Maar opeens wordt het je dan te bar en dan ga je weer en u moet niet vergeten: het slijt ook. En zo was het die avond toen ik Joop voor het eerst ontmoette. Joop is heel ernstig anders, dat moet u vooral niet denken.
— Kij hebt gehad godsdienst? roerde Matje het tere punt aan.
— Van huis uit ben ik Katholiek, meneer, maar ik heb er lang niet meer aan gedaan. Maar weet u: Joop is ook Katholiek.
Matje knikte.
— Toen ik getrouwd was, ben ik nooit meer naar
de kerk gegaan. Mijn man deed er helemaal niet aan. Die zei altijd, dat hij maar in één God geloofde, één voor alle mensen en niet voor de mensen van alle godsdiensten ieder een God apart en ik......ik heb er toen
nooit zo over gedacht, want ik had er eerlijk geen behoefte aan. Maar nou met Joop is alles weer anders geworden en nou ben ik zogezegd weer naar mijn jeugd teruggekeerd. Ik bedoel de godsdienst en zo, begrijpt u wel?
— En nu kij zijt bang wat Joop zal zeg als hij hoort, kij kelogen.
j— Ja, meneer. Ik slaap er niet van. Hele nachten lig ik maar te woelen en te denken en dan sta ik op en dan word ik alsmaar banger en banger en dan zie ik allerlei nare dingen.
— Kij weet niet of Joop genoeg van u houdt om te dragen?