het vanzelf zo te pas. Hij zei, dat hij twee en dertig jaar was en toen zei ik: Ik ook!
— Kij zou nog jonger kunnen zijn, complimenteerde Matje, maar zij knikte ernstig.
— Dat weet ik wel, meneer. Ik lijk veel jonger dan ik ben, maar ik ben toch werkelijk negen en dertig! En het is aangebleven tussen Joop en mij. We zijn van elkaar gaan houden, maar ik heb nooit de waarheid durven zeggen en hij weet nog altijd niet beter. En nu zit ik in doodsangst voor als we gaan aantekenen. Dan komt alles aan het licht en dan schaam ik me dood! Zegt u mij nou es wat ik moet doen! U moet niet denken, dat ik zo’n leugenaarster ben. Werkelijk niet, meneer, maar het is allemaal zo vanzelf gegaan. En het is heus zo gemakkelijk niet, dat moet u niet denken. Ik was laatst met Joop uit en toen troffen we twee vrienden van hem en die kwamen bij ons in gezelschap. Dat was echt een gezellige avond en Joop zei tegen een van hen: Zoek ook een meisje, Bert. En toen zag ik opeens een paar tafeltjes van ons af een kennis van me zitten, een weduwe, net als ik en net zo oud, want ze was met mij op school geweest. Die vriend van Joop keek naar haar en ik zei: Dat lijkt me wel wat voor jou, Bert! en toen zei hij: Och, ze draagt haar jaren met ere, dat moet ik zeggen, maar ze zitten er toch wel op, dat zie je duidelijk! Het was alsof ik door de grond ging, meneer en Joop lachte. En nou durf ik het helemaal niet meer te zeggen. Zegt u het eens, meneer: Houdt Joop van mij! Ik bedoel ......U begrijpt me wel.
— Hij van u houdt, antwoordde Matje. Hij zal doorstaan.
— Wat bedoelt u?
— Als kij zegt die waarheid en kij moet zeggen dat, want er zal toch komen een ogenblik, dat hij ontdekt — als kij zegt, hij zal bekrijp!
— Ik heb al zoveel meegemaakt, moet u weten.
— Ik weet. Ik zie.