— Ja, kerel, zei die, ik zie geen kans om hier wat tegen te doen.
— Als je es een keer knokte, adviseerde Johan. Met mij mee, bedoel ik.
— Kijk es, antwoordde de hoofdredacteur. Je moet ieder op zijn terrein het recht geven, dat hem toekomt. Dat is ware democratie.
—■ En wat is hier dan die ware democratie?
— Dat de directie op haar terrein zeggenschap heeft.
—■ Ik dacht, dat dit geval de redactie betrof en dat
daar in laatste instantie de hoofdredactie besliste. Dat zou na de oorlog toch zo zijn, want dan zouden we geen „commerciële” directies meer hebben. Com-merciëel in de zin van richting bepalende leiding met het oog op winsbejag.
— Dat is ook zo, maar daar gaat het niet om. Dit is een zaak, die de politiek van de krant betreft, niet de politieke partijleiding, maar die van de handhaving
van ons blad en daarom...... Bovendien moet ik je
zeggen, dat ik de figuur van die vrouw verkeerd getekend vond. Als het een lel was geweest, zou ik gezegd hebben: ja, zo waren die vrouwen, maar jij hebt haar ook nog getekend als een vrouw met verdiensten tegenover de illegaliteit en dat leek mij dadelijk al zeer verkeerd. Je beledigt de illegaliteit daarmee!
Johan ging. Hij wist, dat de muur stevig stond. Hij had de neiging om alles er nu maar bij neer te gooien. Eigenlijk, dacht hij, is dat de enige weg.
— Als je karakter hebt, doe je het, dacht hij en toen vloekte hij in machteloze woede.
Hij liep op en neer en zag geen uitweg. Toen besloot hij „er eens met de twee vrouwen over te praten!”
Hij nam zijn hoed en ging naar huis. En hij schold zichzelf voor „schoft en lafbek dubbel!”