weinig. Er viel toen nog weinig te doen. Zo werd het ’42 en toen begon het eigenlijke werk. Ze deed alles. Eerlijk: ze was dapper. Koerierster, mensen wegbrengen, afijn, u kent dat allemaal. En toen, dat was eind ’42 het eerste laat ik zeggen: vreemde teken. Een koerierster van ons moest haar een bericht brengen. Ze belde en de vrouw deed zelf open. Ze was nerveus, maar ze zag blijkbaar geen kans om haar collega buiten te laten staan. Ze liet haar in de gang en wilde juist heel zacht iets zeggen, toen de kamerdeur geopend werd, een kerel in de deur kwam te staan en naar de gang schreeuwde: „Na Paula, was ist denn los?”
Die kerel was de beruchte Gestapoleider Rudi Hei-ne. Onze andere koerierster herkende hem dadelijk.
We zaten ermee en we wisten niet wat we moesten doen. Paula was van onze gehele organisatie op de hoogte en ze was ook herhaaldelijk in mijn ondergrondse woning geweest.
Een paar dagen daarna kwam ze. Ze biechtte. Rudi Heine was bij haar geweest om haar te ondervragen over haar gevluchte man en hij was verliefd op haar geworden. Nu kwam hij geregeld.
Van dat ogenblik af hebben we haar natuurlijk geen werk meer gegeven en gevaar scheen er niet te dreigen. Totdat ze — dat was in ’43 — weer bij mij kwam en toen ze binnentrad zag ik dadelijk dat er iets aan de hand was. Ze kwam er ook al gauw mee.
— Er is iets...... onaangenaams, zei ze. Ik moet
het jou vertellen. Rudi heeft bij mij een portret van jou gevonden en sindsdien is het mis! Hij denkt, dat er tussen jou en mij iets is en hij is wild van jaloezie!
—■ Maar hij weet toch niet, dat ik nog leef?
— Dat weet hij wel. Hij heeft me net zolang ondervraagd en telkens weer opnieuw overvallen dat ik het gezegd heb! Hij weet ook van het ondergrondse huis!
—■ Heb je hem dan alles verteld?
—• Niet alles! Hij is op de hoogte van het feit, dat