ik. In de letterlijke zin. En zo is het ontstaan. Ik heb in dat huis al mijn liefhebberijen op het gebied van woninginrichting uitgeleefd en ieder, die er kwam, was er enthousiast over. U weet: Huib is er geweest. Die heeft ondergronds er nog veertien dagen bij mij gedoken gezeten. Het huis was nog geen drie weken gegraven en klaar of ik had er mijn eerste onderduikers al en nog wat later werd het zo vanzelf een centrum van onze groep. Als wij zaten te beraadslagen, konden we vaak de moffen op de hei horen schreeuwen. Wat een tijd, wat een tijd, meneer! Misschien vindt u het gek, maar ik denk er nu vaak met echt verlangen naar terug......
Hij vertelde verder. Van de merkwaardige mensen, die vaak in zijn gedoken huis kwamen. Van de mannen en de vrouwen, die alles waagden. En van de leider van de groep, een man, die alles scheen te riskeren, maar......
— Maar? vroeg Johan.
De ander haalde zijn schouders op en zei: — Ik weet het niet. Later heb ik het vaak niet geweten. Hij is zo
groot geworden...... nu. En...... hij heeft twee of
drie van die heel grote, heel erg licht blauwe auto’s.
Dat...... eh......pleit niet voor hem, denk ik, maar
wij hebben het nu over hem zoals hij toen was en dus.....
Johan dacht hier het eerste feuilleton, dat hij over dit ondergrondse centrum wilde schrijven, te besluiten en hij zei het.
De man hoorde hem blijkbaar niet eens. Hij zat te peinzen en om zijn lippen speelde weer een zwakke lach.
— En toch is het huis eens ontdekt, vertelde hij na een ogenblik. En nog wel door een der beruchtste leiders van de Gestapo. Rudi Heine heette de kerel.
—• Heeft hij u toen......?
Weer die vreemde lach.
— Nee, hij heeft het huis juist niet verraden! U