— Ziet u, vertelde de man, toen ik in ’é3 moest onderduiken, wist of liever voelde ik, dat het op de duur niet zou gaan. Je houdt dat niet vol en de mensen, die je herbergen evenmin. Dat moet mislopen en de prac-tijk heeft uitgewezen, dat het ook zo is. Je zit altijd boven op elkaar en je kunt elkaar niet uit de weg gaan. Je bent gauw uitverteld en je verbeeldt je toch, dat je praten moet. Al is het alleen maar om de stilte te doden of de angst, die je allemaal hebt, te verbergen achter woorden, die niet daarover gaan waar je vol van bent.
Dus zei ik: er moet iets gebeuren. Ik zat op de Ve-luwe en ik zag het. De eerste gedachte was: ik graaf me een kamer in de grond en ik begon, maar ik ben bouwkundig tekenaar en dat is niet alleen mijn beroep maar ook mijn hobby. Je weet waar je begint maar geen mens voorvoelt waar hij naar toe gaat. Ik bedoel het
zuiver bouwkundig...... nu. Ik groef en stutte en ’t
was fijn. Het stuk grond dat ik gekozen had, lag prima. Midden tussen de moffen, die er exerceerden en schoten en schreeuwden, ’t Lag toch verscholen. Ik groef en velde bomen. De een na de ander. Ik bouwde en ik was er echt in! Ik zag, dat het warempel mooi kon worden en ik besloot het mooi te maken ook. Een kamer eerst. Toen ging ik nog in de avond de vlakte over om te eten bij mijn vrinden, maar ik dacht; Graaf er een keuken bij, dan hoef je niet weg als je niet wilt. En zo groeide het. Het werd een huis, meneer, ’t Zat in een soort van heuvel en de grond was alsof die ervoor gemaakt was en speciaal voor mij neergelegd.
—• Hoeveel bomen heeft u geveld?
— Om precies te zijn: 518!
— Werkte u helemaal alleen?
— Helemaal in mijn eentje! Eerst alleen in het donker, maar al gauw merkte ik, dat dat veel gevaarlijker was, want je hoort in de stille avond alles. Vooral hout hakken. En daarom deed ik het toen maar overdag. Als er moffen in mijn buurt kwamen, dook