de afgelopen maanden geleerd, dat die lieden eigenlijk met alles „niks te maken hebben!” Hij zei, dat ik „natuurlijk” weer eerste luitenant werd en dat beweerde hij met zo’n lachje van; „Wat die Engelsen doen, is niks! Wij hebben met die dilettanten natuurlijk niets uitstaande!” Afijn, ik naar het opleidingskamp in 01-debroek. En opgeleid. Dat was, zeiden ze, voor Indië. Acht maanden zou dat duren. Ik stelde er alles op in, want er was toch geen ontkomen aan en plicht is plicht. Mijn gezin zei de woning op en mijn vrouw verhuisde met de kinderen naar Amsterdam. En laten ze mij nou de vorige week laten roepen om mij te vertellen, dat
...... het niet doorgaat en dat ik weer naar huis kan
gaan! Zonder hoe of waarom. Ik zei:'Maar wat moet ik nu dan? Mijn betrekking ben ik kwijt en mijn vrouw en kinderen...... Niks mee te maken natuurlijk. Be
roerd, zei die, maar hij meende dat andere.
De man keek Johan aan.
— Lacht u niet? Het is toch komiek! Ik probeer er maar steeds het komieke van in te zien en dat lukt me heel aardig.
— Weer een stukje voor het loket Binnenland, dacht Johan.
En toen begonnen ze aan dat andere, het „mooie verhaal!”
De man sprak langzaam en ogenschijnlijk rustig. Zo met de rust van de mens, die rustig blijven wil. Of moet. Lijders aan een hartkwaal hebben dat. Die zijn „kalm” omdat de dokter heeft gezegd, dat kalmte geboden is.
— ’t Is geen hartkwaal, ’t zijn zenuwen, dacht Jo
han. Hij weet het en wil het niet laten blijken. Nou „vlijt” hij de woorden......
’t Was de geschiedenis van de illegale. Bonkaarten, persoonsbewijzen en onderduikers. Maar daar ging het verhaal niet om en daar praatte hij ook liever niet over. Er was iets anders en daar had Huib Johan op attent gemaakt: